Groep 4
Optellen en aftrekken tot 100
In groep 4 breidt het rekenen zich uit van tot 20 naar tot 100. Je kind leert optellen en aftrekken met getallen tot honderd, eerst met ronde tientallen (30 + 40) en daarna met alle getallen ertussen (38 + 47). De grote nieuwe stap is de tientaloverschrijding, ook wel het 'bruggetje' genoemd: bij 38 + 7 ga je over de 40 heen. Kinderen leren dit vaak door eerst aan te vullen tot het volgende tiental (38 + 2 = 40) en dan de rest erbij (40 + 5 = 45).
Aftrekken met een tientaloverschrijding werkt net zo, maar dan terug: bij 52 − 6 ga je onder de 50. Dit 'lenen' is voor veel kinderen even wennen, en het is precies waar de meeste fouten ontstaan. Wie de sommen tot 20 (zoals 8 + 5 en 13 − 6) uit het hoofd kent, heeft hier veel profijt van, want die kennis komt in elke som tot 100 terug.
Een handige aanpak is de rijgmethode: je houdt het eerste getal heel en telt er in stappen bij op of af. Op de getallenlijn wordt dat zichtbaar. Sommige kinderen rekenen liever via splitsen in tientallen en eenheden — beide mogen.
Op deze pagina maak je werkbladen met optellen en aftrekken tot 100 door elkaar, met of zonder tientaloverschrijding. Elk blad is anders, met een antwoordblad erbij, zodat je kind kan blijven oefenen tot het vlot gaat — en jij het snel kunt nakijken.
Optellen en aftrekken tot 100
Groep 4- 1.62 + 8=
- 2.60 − 32=
- 3.28 + 34=
- 4.97 − 29=
- 5.9 + 37=
- 6.94 − 6=
- 7.78 − 39=
- 8.58 − 29=
- 9.64 − 55=
- 10.38 + 62=
- 11.45 + 46=
- 12.79 + 13=
- 13.27 + 43=
- 14.87 + 4=
- 15.61 − 17=
- 16.50 − 21=
- 17.78 − 9=
- 18.27 + 47=
- 19.4 + 78=
- 20.96 − 79=
Antwoorden — Optellen en aftrekken tot 100
Groep 4- 1.62 + 8 = 70
- 2.60 − 32 = 28
- 3.28 + 34 = 62
- 4.97 − 29 = 68
- 5.9 + 37 = 46
- 6.94 − 6 = 88
- 7.78 − 39 = 39
- 8.58 − 29 = 29
- 9.64 − 55 = 9
- 10.38 + 62 = 100
- 11.45 + 46 = 91
- 12.79 + 13 = 92
- 13.27 + 43 = 70
- 14.87 + 4 = 91
- 15.61 − 17 = 44
- 16.50 − 21 = 29
- 17.78 − 9 = 69
- 18.27 + 47 = 74
- 19.4 + 78 = 82
- 20.96 − 79 = 17